MIES DEMMING. 151
„Nu ben je toch heusch onrechtvaardig,” zei Beppie, zachter dan ze tot nog toe gesproken had. „Je vergeet, h o e ze zich uitsloven, als er een weldadigheidsvoorstelling gegeven wordt en hoe ze altijd bereid zijn mee te werken als er kaarten verkocht moeten worden voor een liefdadig doel.”
„Zeker, dat is waar,” gaf Annie toe. „Maar vergeet dan ook niet, dat hun eigen portemon-naie daarbij gesloten blijft en ons berucht en beroemd orgaan „Heidenoord” ze hemelhoog verheft en heele kolommen wijdt aan de braafheid, den liefdadigheidszin van de familie Linstroo.”
„Ja,” spotte Henk. „De hééle Heidenoorder pers — vlak ’t niet uit, Mies! — staat eigenlijk in dienst van de familieregeering. Toch grootsch, als je zoo’n macht hebt. Maar, ik zou je vertellen van onzen schrijver. Nu, één der Linstroo’s de grrroote Guus, heeft artistieke neigingen, voelde op een goeden dag den geest over zich vaardig worden en maakte een tooneelstuk. Hij las ’t eerst in eigen kring voor en schoon die kring alles haat, wat maar eenigszins naar het artistieke zweemt, zoo veranderde men daaromtrent toch subiet toen het een loot van hun stam betrof en Oome Hein en Oome Dries, èn de tantes èn de neven en nichten, ze vonden ’t buitengewoon en vanaf die stonde was Guus een genie, sprak Oome Hein zoo langs z’n neus weg van „me neef die schrijft,” hemelde hij in de societeit of trein het tooneelstuk van „onze schrijver” hoog op.
„Heideland” nam het direct op zijn répertoire en nog dienzelfden winter werd het stuk ten tooneele gebracht. En ’t werd een succès fou, voor den schrijver als voor de medespelenden.
Kransen, bouquetten, planten, werden aangedragen om hulde te brengen aan des schrijvers groote gaven. En hoewel hij zich eerst had laten