MIES DEMMING. 149
„Nou,” plaagde Mies. „Een roman is te veel eer, maar een novelle zou er wel uit te halen zijn.”
„Mies, wees voorzichtig,” waarschuwde Annie. „Vele schrijvers hebben den roem van Heidenoord en haar bewoners bezongen, één op zulk een wijze en zóó doorzichtig, dat hij ’t niet meer waagt, dit liefelijk dorp, pardon Bep, stadje, te betreden, uit angst, dat ze hem te lijf zullen gaan.”
„Nu, ik waag ’t er op,” lachte Mies. „Vooruit Henk, vertel, ik vind ’t dol amusant.”
„Nu dan, we hebben hier, zooals Terwolde al zei, een grrroot tooneelschrijver. De goede man heeft een handel in brandstoffen, of neen, ik vertel ’t je niet goed, die zaak is niet geheel van hem, die behoort aan „de familieregeering”. Dat is een zeer ingewikkelde geschiedenis, Miesje, dat laat zich maar niet zoo gemakkelijk vertellen.”
„Toe,” drong Mies aan. „Ga nu voort, ik geloof, dat er bergen kopy in steekt.”
„Aanstellerij!” zei Beppie zacht, terwijl ze met een driftig gebaar haar stoel achteruit schoof. „Echte schrijvers uitdrukkingen! I k vind ’t treurig, als je je stof tot schrijven overal moet zoeken, zoo niets origineel.”
„Greif nur hinein in ’s volle Menschenleben ...” declameerde Henk. „Dom gansje, berust niet al wat er geschreven wordt op ware gebeurtenissen? Dat ’t hier nu je geliefd Heidenoord zal zijn, dat grieft je. Mies, wees terwille van Beppie’s groote liefde niet al te scherp en stel onze veelbeminde dorpsgenooten niet teveel aan den kaak!”
„Wees gerust, brave, als ik de stof al gebruik, dan zullen de Heidenoorders steêvast gelooven, dat ’t hun naaste buren zijn.”
„En dan,” lachte Annie. „Dan zullen ze je de