148 MIES DEMMING.
pie daartegen in. „Ze halen toch altijd prijzen, op ieder concours waar ze meespelen.”
„Wat is Heideland?” vroeg Mies geïnteresseerd. „Een tooneelclub?”
„Ja, een rederijkerskamer,” zei Henk. „En werkelijk, ze spelen niet onverdienstelijk. Maar je weet, hoe dat gaat op kleine plaatsen, de jeune premier is de barbier en tevens aanspreker van het dorp en de grande tragédienne heeft een zaakje in manufacturen. Dat beider Nederlandsch niet zoo heel zuiver is, kun je begrijpen. Maar ik moet er bij zeggen, voor een dilettanten troepje is ’t werkelijk niet slecht.”
„En wat voeren ze voor stukken op?” vroeg Mies.
„Lichten kost,” zei Terwolde. „En, o ja, laten we dit vooral niet vergeten, we hebben hier een grrroot tooneelschrijver!!”
„Hè, hou toch op met je spot,” zei Beppie. „Als je ’t allemaal zoo vreeselijk vindt, ga er dan niet heen.”
„O, wee! als je aan Beppie’s dorp komt,” plaagde Henk. „Voor haar bestaat er niets op de wereld, dat mooier en beter is dan Heidenoord. Trouwens, daarin staat ze niet alleen, bijna alle Heidenaren zijn zoo en ’t mooiste is, dat ze, als ze bij elkaar zijn, al wat buiten Heidenoord is hoog verheffen, elkaar de oogen uitsteken met buitenlandsche reizen en groot-steedsch gedoe, maar laat een ander ’t niet wagen, iets op de heiligheid van hun oord af te dingen, dan worden ze woest!”
„Nonsens!” zei Beppie ontstemd. „Ik weet heusch wel, dat hier niet alles volmaakt is, maar zooals jullie er op afgeven is belachelijk.” „Toe,” zei Mies, „vertel nu verder van jullie tooneelschrijver.”
„Heb je soms stof voor een roman noodig?” vroeg Beppie.