MIES DEMMING. 139
bij kwam. „Ziet dat kind er nu niet bar slecht uit?”
„Nu, bar slecht is te sterk, maar ze ziet wat bleeker dan gewoonlijk. Ze moet maar veel de bosschen in en flink eten.”
„Vooruit,” zei haar man. „Stappen jullie in, dan rijd ik je even aan en ga nog een paar visites maken.”
„En de sportwagen dan?”
„Ik zal zusje wel naar huis rijden,” bood Boy aan. „Wel zeker,” lachte zijn vader. „Twee peuters samen op weg.”
„Ik ben geen peuter, ik ga van den winter al naar school!”
Maar vader vond het toch maar beter tante Mies en hem in de auto te nemen, en toerde een eindje met ze om, zoodat ze tegelijk met moeder en Ansje voor het huis stonden.
Mies, die dolveel van kinderen hield, genoot van het heerlijk stel van haar vrienden en toen ze haar mantelpak verwisseld had met een luchtiger japon, ging ze bij Boy op den grond zitten en bouwde met hem aan een poppenhuis voor Ansje’s poppen, waarbij haar levendige fantasie direct aan het werk sloeg en ze hem onder het bouwen verhalen deed, die hem den arbeid deden staken en met jhoogroode kleur luisteren naar het tooverwereldje waarvan ze hem vertelde.
En toen groote Ans de thee klaar had en ze knusjes bijeen zaten, Anneke in haar stoeltje met een beker melk en een „kwietje”, en Boy aan Mies’ knieën, haar aankijkend als een wonder, toen zuchtte Mies voldaan: „O, wat is ’t hier weldadig!”
’s Avonds, to^n de kinderen naar bed waren en Henk uitgeroepen was, zei Annie, terwijl ze het bovenlicht uitdraaide en ze nu in het halfdonker intiemer nog bijeen zaten: