MIES DEMMING. 129
minachting op Bellaarts gerust.
„Mies, waar pieker je over?” stoorde Dumée haar peinzen.
„Och, nergens over,” probeerde Mies luchthartig te zeggen, en toen, om hem te overtuigen, dat ze heusch nergens over tobde, zei ze vroolijk: „Toe, Frits, laten we een dansje doen, je hebt ’t ons beloofd.”
„Ja, dat is een idee!” zei Bellaarts, terwijl hij vlug opstond. „Juffrouw Demming, mag ik uw partner zijn?”
„O, dans je?” zei Frits verruimd, „’t Kan niet beter, ik zag er, wat je noemt tegen op, om die twee dames ten dans te voeren.”
Toen het viertal zich „tusschen de koorden” begaf, moesten ze Verstraeten passeeren.
Mies, geprikkeld door zijn koelen groet, lachte en schertste met Bellaarts, en ging Verstraeten’s tafeltje voorbij zonder hem een blik te gunnen.
Maar onder het dansen klopte haar hart onstuimig en schoon Bellaarts een ideale leider was en ze in een ander geval genoten zou hebben van een danseur, die zóó vast van rhyth-miek was, nu was ze blij, toen ze terug kon keeren naar hun tafeltje. Toen Bellaarts haar om nog een dans vroeg, wendde ze vermoeidheid voor en verkoos rustig te blijven zitten.
„Zeg, Mieselien, wat bezielt je?” vroeg Dumée. „Je bent anders zoo’n onvermoeide danseuse.” „Ik begin te gelooven, dat ik in mijn plichten als danseur tekort ben geschoten,” veronderstelde Bellaarts.
„O, heelemaal niet,” haastte Mies zich te zeggen. „U danst heusch ideaal, maar ik ben werkelijk moe, ik denk, dat het voorjaar me parten speelt.”
„Dan rusten we flink uit en doen straks nog een dansje,” opperde Liesje.
Mies keek op haar horloge-armband.
Mies Demming. 9