130 MIES DEMMING.
„Ik moet naar huis,” schrok ze op. „Ik had geen idee, dat ’t al zoo laat was.”
„Hè, Mies, wat ben je een spelbreekster,” zei Dumée. „Blijf nu nog even rustig zitten.”
„Ik kan heusch niet, Frits. Moeder heeft bijna den geheelen middag bij vader gezeten, ik moet haar nu aflossen en zorgen, dat mijn patiënt op tijd eten krijgt.”
„Nu, dan stappen we allemaal maar op,” zei Dumée.
„Hè, neen, doen jullie dat nu niet,” verzocht Mies dringend. „Dan voel ik me heelemaal zoo schuldig.”
„Blijf jij met je meisje nog wat hier,” stelde Bellaarts voor. „Ik ga dan, als u ’t goed vindt, met u den weg uit, juffrouw Demming.”
Mies was zichtbaar verlegen met het geval, ze vond het allesbehalve prettig, met Bellaarts, die bekend stond als een echte lady-killer, op straat gezien te worden. Er was een inwendige stem, die haar toefluisterde: doe het niet! maar ze wist niet hoe van hem af te komen, zonder hem te beleedigen.
Lies je, haar twijfel ziende, stond op en zei: „Neen hoor! samen uit, samen thuis! Vooruit, Frits, we gaan weg.”
Mies gaf, toen ze naar buiten stapten, Liesje een dankbaar kneepje in haar arm, wat door deze beantwoord werd met een oolijk knipoogje.
Toen ze afscheid van elkaar namen en Mies reeds aangescheld had aan haar huis, vroeg Bellaarts:
„Zeg, Dumée, heb je zin de volgende week met je dames naar de première van dat stuk van Relandt te gaan? Ik heb er de hoofdrol in. Ik zal jullie kaarten sturen.”
„Dolgraag! Kinderen, heb je zin?”
„Nou en of!” zeiden ze als uit één mond. „Komen jullie dan na afloop nog even in