128 MIES DEMMING.
scène, waarbij ze het publiek tot tranens toe bewoog, even gauw op haar horloge-armband, om te zien, of de voorstelling wéér zoo laat zou eindigen als den avond te voren. Als je werkelijk van binnen uit speelt, dan denk je daar niet meer aan.”
„Gek, dat het publiek het zoo weinig voelt en toch onder den indruk komt,” zei Liesje.
„Zeg u dat niet, een zeker deel van het publiek voelt het niet, maar de werkelijk fijn-voelenden en de intellectueelen, die ontroeren niet bij dergelijk spel,” zei Bellaarts. „Maar,” vervolgde hij, „laten we over iets anders praten. Vertel me eens, Dumée, ben je nog altijd in de uitgeverij.”
Frits vertelde hoe hij weg van Denijs en nu voor zichzelf begonnen was.
„Potztausend! Dat noem ik durven! Maar, je hebt groot gelijk, kerel. Alle uitgevers worden rijk.”
„Dat moest waar zijn,” lachte Dumée.
„Kom je met mooie dingen uit?”
„Ja, heel goede werken, eenige wetenschappelijke en o. a. met een roman van juffrouw Demming.”
„Kolossaal! Ik zit dus naast een romancière,” hij boog zich bij die woorden tot Mies over en vroeg terwijl hij haar plagend in de oogen blikte:
„Is ’t uw eigen roman, juffrouw Demming?”
Op dit oogenblik keek Verstraeten om en ontwaarde Mies, die lachend opblikte naar Bellaarts.
Als getrokken door zijn scherpen blik, keek ze zijn kant uit en kon juist een stroeven groet van hem in ontvangst nemen. Direct draaide hij zich weer om op zijn stoel en begon een gesprek met den naast hem zittenden heer.
Het bloed steeg Mies in het gelaat. Wat bezielde Verstraeten om haar zoo koel te bejegenen? Zeker beviel hem het gezelschap niet waarin zij zat, want zijn blik had even vol koele