126 MIES DEMMING.
koopen,” plaagde Dumée.
„Ik zal u haar lievelingsbonbons eens verklappen,” beloofde Liesje.
„Ik ben onomkoopbaar,” zei Mies, een gewichtig air aannemend.
„Ik zal een klacht over u indienen bij de Hoofd-Redactie,” dreigde Bellaarts.
„Doe geen moeite, amice. De Hoofd-Redacteur is... ”
„Dumée!” en Mies wierp hem zulk een gebiedenden blik toe, dat hij maar gauw zweeg.
„Als je van den duivel spreekt...” lachte Liesje en haar oogen wezen naar den ingang.
„Ja, daar heb je hem warempel,” zei Dumée.
„Wie?” vroeg Bellaarts.
„Wel, Verstraeten, de opper-baas van Juffrouw Demming. Hij is met een paar hooge oomes. Ridderordetjes in het knoopsgat, poeh!”
Verstraeten en de hem vergezellende heeren namen plaats aan een tafeltje niet ver van hen af.
„Is ’t nogal een geschikte baas voor u?” vroeg Bellaarts, zich overbuigend naar Mies.
Dumée, die hevige grimassen maakte, werd door Mies en Liesje in toom gehouden.
„Ja, héél geschikt,” zei Mies kort.
„Hij staat toch bekend als een lastig heerschap.”
„Dat is hij heelemaal niet,” zei Mies. „Hij heeft zelf een enorm plichtsgevoel en is een stoere werker. Dit eischt hij ook onvoorwaardelijk van allen, die met hem samenwerken. Ik weet wel, dat hij zich door het onverzettelijk vasthouden aan dién eisch vele vijanden heeft gemaakt, maar wie hem door en door kennen, in al zijn rechtvaardigheid en z’n uitmuntend karakter, die spreken anders over hem.”
„Wat heeft hij een schitterend advokaatje in u, hij mag zich gelukkig achten zóó’n verdedigster te hebben. En m ij heeft u overtuigd, hoor! Ik