MIES DEMMING. 125
„Je kunt er van op aan, dat hij ééns in z’n leven een slechte kritiek heeft gehad van een vrouw. De wrevel spreekt uit al z’n woorden.” „Neen, waarachtig niet. Wel ben ik eens geïnterviewd door een vreeselijk wezen. En je moet weten, dat een van m’n collega’s, die haar kende, me had wijs gemaakt, dat er een beauty zou komen. Ik had me voor die gelegenheid énorm opgedoft, had bloemen op m’n schrijftafel gezet, bonbons op het kleine tafeltje, waar omheen twee gemakkelijke stoelen wachtten op haar en mij.
En daar kwam me een oud vogelverschrik-stertje binnen, mèt een regenhoedje waaronder uit een klein al grijzend haarknoedeltje stak.
Met snibbige rukjes en beweginkjes van haar spits vogelkopje maakte ze me bekend met de reden van haar komst. Alsof ik dit niet allang wist en me niet in alle opzichten voorbereid had! Alleen de interviewster was eenigszins anders, dan ik me voorgesteld had.
Daar zat ik met m’n bloemen, die ik bij het afscheid in haar zachte handjes had willen leggen en m’n bonbons, die ik me gedroomd had haar zelf te voeren.
Mijn wrevel overwinnend, presenteerde ik haar van het lekkers.
Ze kirde als een houtduif en draaide verleidelijk met haar fletse oogenpracht. Ik geloof heusch, dat ze nog dacht een verovering gemaakt te hebben. U begrijpt, juffrouw Demming, dat mijn dunk van de damesjournaliste een geweldige knauw heeft gekregen, maar nu ik u... ”
„Ja, de rest begrijp ik volkomen,” lachte Mies. „Intusschen zult u van mij geen last hebben, wanneer ik ooit opdracht krijg u te interviewen, dan stuur ik een van mijn mannelijke collega’s.” „Welk een wreedheid!” zei hij theatraal.
„Mies, kind, voor jou zou hij Corona los-