MIES DEMMING. 123
„Nou, ja, d’r zijn wel eens moppen bij, die vervelend zijn, maar de meeste zijn toch heel aardig. En dan die verschillende instrumenten, zoo’n Swanny wistle, die daar zoo getrouw de menschelijke stem nabootst, nu eens weet te kweelen in hoogste verrukking en dan weer zoo tergend kan doen. En de saxophoons, zeg, wil je gelooven, dat ik soms rillinkjes over m’n rug krijg, als daar zoo’n sombere, lage saxophoon opklinkt? En dan weer al die gezellige geluidjes van instrumenten, die je niet eens thuis kunt brengen. Neen, Lies, ’t is misschien erg banaal, zelfs onmuzikaal van me, maar ik ben verzot op die muziek en ik werk nooit beter, dan wanneer ik weer eens heb zitten genieten van zoo’n kostelijken Jazz-band. Frits, zeg jij eens hoe je er over denkt?”
„Lang niet zoo enthousiastisch als jij, Miep. Ik vind het wel prettige muziek om op te dansen en ik voel ook wel wat voor het pittige rhythme er van, maar op den duur gaat me al dat gejengel toch vervelen. Daarbij komt nog, dat ik niet erg Oostersch aangelegd ben en al dat woestijn-gedoe aan mij niet besteed is.” „Neen, jij bent de echte zoon der lauwe wes-terstranden,” plaagde Mies. „En ik dweep met al wat uit het Oosten komt. Als ik er ooit van mijn leven toe kom, er een boudoir op na te houden, dan zal het er zijn als in een Boeddha-tempel.”
„Lies,” lachte Frits. „We zullen ons tegen dien tijd voorzien van witte burnous om onze opwachting te komen maken in het Boeddha-boudoir van Mieselientje.”
„Zeg, kijk eens, is dat Tom Bellaarts niet?” zei Mies, wijzend naar een langen heer, die juist het zaaltje binnenkwam.
„Ja, dat is ie,” zei Frits. „Je kunt hem toch uit duizenden herkennen, hij heeft ’t echte air