120 MIES DEMMING.
fatsoenlijk de wereld insturen.”
„Gunst, Mies, je kunt zeker den tijd haast niet afwachten, dat ’t verschijnen zal,” zei Liesje.
„Wanneer komt het uit, Frits? Ik krijg rib-beldebibbers als ik er aan denk,” lachte Mies.
„Dat zal ik je vertellen, Mieselientje. Ik neem ’t mee op m’n najaars-reis, dat is ongeveer beging September. In de helft van November zul je het in de boekwinkels zien prijken.”
„Ik druk m’n neus plat tegen de winkelruiten,” zei Mies.
„En ik ga afluisteren, wat het publiek zegt,” zei Liesje.
„Jullie stelt je zeker voor, dat de menschen te hoop loopen om het boek te zien. Je hebt er geen idee van, wat er allemaal uitkomt tegen Sint Nicolaas.”
„Wie weet, hoe ’n slechte pers ik krijg,” zei Mies een beetje benauwd.
„Geen nood!” lachte Dumée. „De rooverhoofd-man der pers-bandieten, pardon, ik bedoel muskieten, is je ... laten we zeggen ... hartelijk toegedaan, hè Miesekind?”
„Och, draak!”
„Zeg, een beetje meer respect voor je uitgever! Nog één woord en ik geef ’t niet uit.” „Poeh! drukkie, dan gaat ’t als feuilleton in het Dagblad. Ja, zeg, Verstraeten vroeg, of ik het eerst bij hun als feuilleton wilde laten verschijnen, hij zei, dat ’t beter voor me was.” „Maar niet heusch! Ik heb ’t land aan eens gelezen kost! Neen hoor, juffertje, ik de primeur ervan, of anders niet. Even goede vriendjes!” „Hoe vin-je het uitgevertje? Nou is ie in z’n volle kracht, hoor!” plaagde Mies. „Nou, wees maar zoet, ik heb Verstraeten al gezegd, dat ik het zelf liever direct in boekvorm heb.”
„Bestig! En hoor eens, Mies, de volgende maand krijg je de correctie en daarna de revisie,