MIES DEMMING. 117
„En die langzamerhand aangegroeid zijn tot een torenhoogen stapel. Ik zal ’t je bij gelegenheid eens laten zien.”
„Ik wist niet, dat ’t er zóóveel waren,” lachte haar man. „Waarom heb je er nooit iets van gezegd?”
Er kwam een ondeugende trek in mevrouw’s oogen toen ze zei:
„Kon ik je dan toen zooiets zeggen?” Mijnheer, die in geen jaren die ondeugende schittering in haar oogen gezien had, nam licht ontroerd haar hand en terwijl hij die zacht streelde, zei hij: „Je hebt ’t zuur bij me gehad, kleintje. Maar er zullen nog wel betere tijden voor ons komen. Wie weet, hoeveel genoegelijke jaren ons nog wachten. En geloof me, kind, ik zal m’n leven voortaan anders inrichten, op tijd m’n vacanties nemen, ’s avonds niet meer werken en alles rustiger afdoen dan vroeger.”