MIES DEMMING. 115
bij mij op kantoor kwam. Al dadelijk toonde hij een bizonder belang in haar te stellen en toen ze bij Denijs was informeerde hij steeds naar haar.”
„’t Is ongeloofelijk,” zei Mevrouw. „Die Mies, dat kind, en hij zoo’n ernstige knappe man.”
„Je vergeet, vrouwtje, dat Mies geen alle-daagsch meisje is en je kunt er van op aan, dat Mies als schrijfster nog van zich zal laten spreken.”
„En dat zeg j ij,” zei mevrouw in de uiterste verbazing. „Jij, die haar werk altijd afkamde.” „Nou ja, in mijn bromtijd, maar ik heb nu een groot deel van den roman gelezen waaraan ze bezig is en ik verzeker je, dat ’t een goed stuk werk is, rijp en doordacht.”
„Val nu niet van ’t eene uiterste in het andere? Ben je niet een beetje verblind in je meisje?” „Om den drommel niet! Ik heb haar wel degelijk op verschillende fouten gewezen, maar die beteekenen weinig, ’t wordt een boek, dat er wezen mag en waar ze zonder twijfel veel succes mee zal hebben.”
„’t Is niet te gelooven! Onze Mies, dat dartele, dolle kind een schrijfster!”
„Nu, dat is niet zoo heel verwonderlijk. Hoe heeft ze als kind al niet aardige verhaaltjes en sprookjes geschreven, ’t was immers één brok fantasie, dat kind. En dat alles nu niet zoo vlot tusschen die twee gaat, hindert niet, des te rijper wordt haar werk. Het moet allemaal niet zoo gemakkelijk gaan. Als ze werkelijk, en dat geloof ik heel zeker, veel van elkaar houden, dan komt dat alles wel goed. Maar niemand moet zich ermee bemoeien, ze moeten het maar met elkaar uitvechten.”
„Wil ik dan niet eens met Mies praten?” „Geen woord, kind! Mies is een natuurtje, dat ongestoord haar weg moet kunnen gaan. Pieker
8*