114 MIES DEMMING.
jullie hadt het altijd zoo gezellig samen, ’t Is mij ook opgevallen, dat Dolly nooit meer komt. En Ed? heb je daar ook kwestie mee gehad? Die is ook in weken niet geweest.”
„Och moeder, ik vertel ’t je wel eens allemaal, laten we er nu maar over zwijgen,” zei Mies en haar gezichtje stond zóó treurig, dat ze allen gevolg gaven aan haar wensch en het gesprek op een anderen boeg gooiden.
Maar Mies’ vroolijkheid was weg en toen ze zag, hoe Verstraeten haar telkens weer onderzoekend aankeek, stond ze op en zei, dat ze Frans een poosje gezelschap ging houden, dan kon de Pier nog wat bij de heeren blijven.
Na nog een tijdje gebabbeld te hebben, stond ook Verstraeten op en zonder, zooals hij vaak deed, nog even in de huiskamer aan te loopen, ging hij weg.
Toen de straatdeur dichtsloeg keken de ouders elkaar aan en zei Mevrouw Demming met een zucht:
„Wat is er toch met Mies? Wat doet ze vreemd tegen Verstraeten. ’t Spijt me meer dan ik je zeggen kan, want hij is zoo bizonder hartelijk en goed voor ons allen. En hij is zoo graag hier. Als Mies zoo blijft doorgaan, zal ze hem nog verjagen en hij is juist zoo blij wat huiselijkheid te kunnen hebben.”
„Mal vrouwtje,” zei mijnheer Demming. „Zie jij met je kinderverstand nu weer alles voorbij? Dat komt allemaal wel goed, hoor! Bemoei je maar nergens mee en laat ze ’t samen maar uitvechten.”
„Denk je dan...” zei mevrouw verschrikt.
„En zie jij dan niet domkopje, dat die twee dol op mekaar zijn? Heb je heusch één oogen-blik geloofd, dat al die buitengewone hartelijkheid van Verstraeten alleen mij gold? Hij heeft van haar gehouden, vanaf het oogenblik, dat ze