MIES DEMMING. 113
heusch al afgevraagd wat daarvan de reden was.” „Ik ben er me niet van bewust,” zei Mies, terwijl een blos heel haar lief gezicht overtoog.
„Kom,” zei Verstraeten ongeloovig. „Je moet er bepaald een reden voor hebben. Ik weet me nog precies te herinneren, wanneer je plotseling zoo ernstig en deftig-doend werd. ’t Was nadien dag, waarop ik je vroeg met je vriendin mee naar de comedie te gaan. Je hebt me nooit verteld, waarom jullie niet meegingen en ook niet, waarom je plotseling zoo vreemd tegen me deedt.” ’t Was een eigenaardige blik, die de beide ouders wisselden bij dit gesprek, een blik, die boekdeelen sprak.
Mies, haar theekopje trillend in haar hand, deed moeite, zoo onbevangen mogelijk te zijn. Heel het gesprek dien avond met Dolly doemde weer op voor haar geest. Al die weken had ze juist haar best gedaan, de gedachte eraan terug te dringen. Ze had zich, als het ware, op haar boek geworpen, om al schrijvende alles te vergeten, waaraan ze steeds terug moest denken.
En nu bracht die vraag van Verstraeten haar in de grootste verwarring.
En er was geen ontkomen aan, want hij bleef haar, wachtend op een antwoord, dringend aankijken.
„Och,” zei Mies eindelijk. „Dolly en ik hadden een kleine woordenwisseling en nu vonden we ’t geen van beiden prettig onder die omstandigheden samen uit te gaan.”
„Waarom dat dan niet direct gezegd? En... waarom moest daar uit voortvloeien, dat je mij na dien avond niet meer zoo onbevangen en prettig tegemoet kwam als anders?”
Mevrouw Demming, voelend, hoe Mies niet kon antwoorden, zocht naar een middel om haar te helpen en zei:
„Jammer, dat je oneenigheid met Dolly hebt,
Mies Demming. 8