112 MIES DEMMING.
kip en ben blij, dat je er getuige van moogt zijn.”
„Ja Pier,” lachte Mies. „Je overdrijft ’t een beetje, je laat dien armen man maar hangen en verlangen en blijft beneden zitten.”
„’t Is zoo saai voor Frans als ik ook boven kom zitten.”
„Dan kan ik toch met mijn werk beneden zitten.”
„Neen, blijf jij nou maar bij vader, jij kunt hem beter regeeren dan ik, bij mij is ie net een stout kind en wil ie alles doen wat niet mag.” „Zoo,” lachte Verstraeten. „Heeft Mies u er zoo netjes onder weten te krijgen. Nu, ’t was noodig.”
„Ja, dat schijnt zoo. En nu ze me eenmaal zoover heeft, geloof ik, dat ’t zoo toch wel het beste is, ik voel me iederen dag sterker worden.” „Hoera voor Grompie!” juichte Mies. „Wat een bekentenis!”
„’t Is waar,” vond mevrouw. „Vader is de laatste weken veel vooruitgegaan en hij ziet er zoo best uit. Je wordt weer jong, man!”
„Een tweede jeugd,” spotte mijnheer. „Vrouw, ik haal je nog in als ’t zoo doorgaat.”
„Geen nood, Grompie,” plaagde Mies. „De Pier is een jeugdige blom, ze heeft waarachtig nog geen enkel grijs haartje! Als ik ’t goed beschouw, ziet ze er onbehoorlijk jong uit. Dumée dacht eens, toen hij ons samen zag, dat we zusters waren. Nou, stel je voor! Pier, je zorgt ervoor, dat je er ouder gaat uitzien. Je bent mijn madre en niet me zussie, begrepen!”
„Mal kind, wat is ze weer bezig,” lachte mevrouw.
„We krijgen nu tenminste weer eens een brokje Mies te zien,” zei Verstraeten. „Daar heb ik den laatsten tijd tevergeefs naar gezocht. Ze was zóó ernstig en anders dan gewoonlijk, ik heb me