MIES DEMMING. 111
Mies een beetje korzelig, „maar ik denk er toch niet aan het een ander aan te bieden. Dumée heeft me steeds aangemoedigd een roman te schrijven, en toen ik zoowat op de helft was en hij het doorgelezen had, heeft ie me een hart onder den riem gestoken met te zeggen, dat het goed was en hij er prijs op zou stellen het te mogen uitgeven.”
„Dat wil ik graag gelooven,” zei Verstraeten schamper, „’t Is voor hem niet kwaad met een goed boek te voorschijn te komen.”
„O, neen,” zei Mies boos. „’t Is absoluut geen eigenbelang van hem, maar eerder een groot risico. Niemand kent me nog als schrijfster. Ik heb al m’n schetsen onder pseudoniem geschreven en zal dit boek ook niet onder mijn eigen naam laten verschijnen. En buitendien, al stond m’n naam er onder, dan nog zou dit geen reden voor de boekhandelaren zijn het boek te koopen.”
„Ik geef je, juist om die reden, nogmaals in overweging het eerst als feuilleton te plaatsen.” „Ik zal er met Dumée over spreken. Misschien heeft hij er niets op tegen.”
„’t Gaat hier niet om de meening van mijnheer Dumée, maar over die van jezelf, Mies.”
„Nu, dan heb ik het liever meteen in boekvorm.”
„Zooals je wilt,” zei Verstraeten kort.
Er volgde op dit gesprek een ietwat pijnlijk zwijgen, dat tot aller opluchting verbroken werd door het binnenkomen van Mevrouw Demming, die de thee bracht.
„O, Pier, wat een zaligheid, ik snak naar een kopje,” zei Mies, terwijl ze haar moeder het theeblad uit de handen nam. „Toe, wijfielief, ga hier nu even gezellig zitten,” en ze duwde het kleine moedertje in een gemakkelijken stoel.
„Is ’t je niet te druk, man?” vroeg mevrouw. „Heelemaal niet. Ik voel me zoo lekker als