110 MIES DEMMING.
schutterig juffie, met een stapel schriften onder den arm.
Bulderstem van het zure gevaar:
„Wat! j ij een roman gemaakt, zoo’n idioot! Je kende bij mij niets, maar dan ook niets! Ik denk er niet aan, wil ’m niet eens lezen!”
Het gezuurte draait zich om, het juffie verdwijnt.”
Haar vader en Verstraeten amuseerden zich kostelijk bij haar uitstekende imitatie van Denijs.
„Neen hoor,” zei Mies. „Ik heb een heel wat beteren uitgever.”
„Je maakt me nieuwsgierig, Mies,” zei Verstraeten. „Vertel eens op, wie is het, of is ’t nog een geheim?”
„Wel neen, voor u niet. ’t Is Frits Dumée, u weet wel, die ook in de zaak bij „de zure” was.” „Hoe kom je daarbij?” zei Verstraeten wat kort. „Ik heb hem nog nooit hooren noemen als uitgever.”
„Nogal wiedes,” lachte Mies. „Hij is net begonnen.”
„Nu, dan is ’t toch heel onverstandig om je eerste werk bij een uitgever te laten verschijnen, die nog absoluut onbekend is.”
„Bij het publiek, dat is waar, maar niet bij de boekhandelaren. Die kennen hem allang en ’t is juist fijn, dat hijzelf met mijn boek zal reizen, want niemand zal er zóó zijn best voor doen als Dumée. En, dat heb je bij het verschijnen van je eerste werk juist hard noodig.”
„Je moet het zelf weten,” zei Verstraeten wat koeltjes.
„Maar Mies,” mengde zich nu haar vader in het gesprek. „Je hebt het Dumée toch niet vast beloofd. Ik ben het wel eens met Verstraeten, dat het beter is je boek bij een meer bekenden uitgever het licht te doen zien.”
„Neen, ik heb geen contract met hem,” zei