102 MIES DEMMING.
kamer rinkelen en spoedde ze zich naar boven.
„Wat had d i e zoo lang te praten?” gromde de patiënt. „Hij heeft me zeker maar wijs gemaakt, dat ik vooruit ga. Ja, ik ken die foefjes wel. Wat zei hij tegen jou, vooruit, de waarheid, hoor!”
„Wat hij zei?” lachte Mies. „Nou, als u ’t dan precies wil weten, hij vindt al uw organen even erg aangedaan. Hart, maag, nieren, longen, darmen, er deugt geen cent van, daarbij zijn uw beenen, uw teenen, uw...”
„Mies, houd op met je nonsens,” zei haar vader, die ondanks zichzelf moest lachen. „Wat zei hij nu eigenlijk?”
„Och, de brave borst had ’t heelemaal niet over u, hij zong een geweldigen lofzang op Verstraeten!”
„Kent hij dien dan?”
„Ja, natuurlijk,” jokte Mies er op los. „Die hangt nogal eens aan de telefoon om te hooren, hoe ’t met uw kostbare santé gaat en zoo hebben ze elkaar leeren kennen.”
„Wel een bewijs, hoe onrustbarend Verstraeten mijn toestand vindt.”
„Och, benauwde ziel, dat was in de eerste dagen van uw ziek zijn. N u komt Verstraeten zelf en ziet hoe u met reuzenschreden vooruit gaat. Gisteravond zei ie nog tegen de Pier, dat u in de laatste dagen stukken beter is geworden.” „Zoo — nu, dat doet me pleizier, want ’t moet niet héél lang meer duren. Die dokter houdt me aan het lijntje! Op een goeien dag ga ik naar kantoor en is de vogel gevlogen als ie komt.” „Hoor nou zoo’n grooten jongen!” plaagde Mies, terwijl ze hem een geklopt ei met melk voorhield.
„Allemanspraats en als ie een paar uur op den divan gelegen heeft, verlangt ie weer naar z’n bedje. Neen, Grompielief, zóó gauw gaat het