250
verloving te geven. Ik heb dit toen geweigerd, omdat ik niet de overtuiging had, dat het Fred ernst was. Tegen jou als schoondochter hebben wij nooit iets gehad en 't is mij een behoefte je te zeggen, dat we ons geen betere schoondochter kunnen wenschen."
Meneer Dannenburch schraapte z'n keel en zijn kinderen kregen het benauwd en wisselden angstige blikken.
„Fred," ging hij voort, „er is in dat halve jaar veel gebeurd, wat we anders gewild hadden, maar daar zullen we verder over zwijgen. Door dit alles heen hebben we toch wel gezien, dat je gevoel voor Norinchen werkelijk sterk is en ook heb ik tot m'n groot genoegen ondervonden, dat je in zaken serieuser bent geworden."
Er was even een stilte die onbehagelijk aandeed en waarbij de een den ander aankeek, niet wetend, hoe dit alles moest eindigen.
„Norinchen,” er was een teedere klank i n zijn stem, „laat ik je dan nu zeggen, dat we met vreugde onze toestemming geven en het me een groote eer en een genoegen is, dit juist vanavond te kunnen doen, in het bijzijn van den man, dien ik hoog schat, Mr. Graham."
Er volgde een lang gejubel op zijn woorden. Maar toen de statige meneer Dannenburch Norine in zijn armen nam en haar een vaderlijken kus op de wangen drukte, werd het een oogenblik heel stil.
„Dochtertje," zei hij ontroerd, „maak jij Fred tot een man.”