243
pen, die ieder op z'n gemak stelde en het gevoel gaf al jaren in dit milieu verkeerd te hebben.
Zelfs Jack MacLean, die gevreesd had, zich als een vreemden eend in de bijt te zullen voelen, werd opgenomen in deze sfeer van gezelligheid.
„Dad! kijk toch eens even wat een schitterende blauwe borden!” galmde Sally „en o, wat hebben jullie mooie schilderijen! Dad, kijk eens even!”
En echte Amerikanen als ze waren, geraakten ze in verrukking voor al het mooie antiek, dat van geslacht op geslacht was overgegaan in de familie Dannenburch.
„Hebben jullie een familie-wapen?” vroeg Sally zeer belangstellend.
„Of course!” protzte Fred. „Vader, laat je ring eens
• ff
zien.
Drie hoofden bogen zich over den zegelring van meneer Dannenburch.
„Een den en een burcht,” expliceerde Fred gewichtig.
„Eenig!’ vond Sally. „Heeft u dit wapen op al uw linnengoed, Mevrouw?”
„Overal op,” gierde Mieke. „Op m’n kamermuiltjes en op m’n tandenborstel, enfin, op alles!”
„Bij ons doen ze een moord voor een familiewapen,” zei Sally.
„Zeg, Fred, we moeten je kamer zien, waar al je muziekinstrumenten hangen. Mieke heeft me ervan verteld.”
„Er is een heidensche bende,” weifelde Fred.