239
seringen, die in een vaas te wuiven stonden, losser nog schikte.
„Jullie hebt de lente in je bol," lachte mevrouw en haar oogen gingen vol moederlijke teederheid naar Mieke's tenger figuurtje in het soepele jurkje van maan-blauwe crêpe georgette.
„Fred, is de balzaal in orde?" vroeg Mieke, doelend op de groote aangrenzende zijkamer, waar de enorme radio-gramophoon stond, Fred’s laatste weeldebevlieging, zooals hij gezegd had, en waar ze, als er 's avonds jongelui kwamen zoo zalig op dansten.
„O. K. Miss Dannenburch. Kleed opgenomen, lamp naar boven geschoven en eenige hoekjes om drie stel menschen op te nemen, als ze moe van het dansen, willen babbelen."
„Moeder, wat zeg je van boetlief? Hij heeft zelf de handen uit de mouw gestoken! 't wordt angstig," plaagde Mieke, „Ah, daar is het hoofd van de firma Dannenburch. All correct! Vader, wat zie je er vreeselijk in de puntjes uit. Ik wed, dat Mr. Graham smult van zooveel gedegen oud-Hollandsche deftigheid."
„Malle meid," lachte goedmoedig meneer van Dannenburch, zich neerzettend in een van de groote club-fauteuils, die om de lage tafel stonden.
Fred schoof de courant binnen zijn vader's bereik.
„Wat is die jongen toch attent," fluisterde Mieke ondeugend haar moeder in.
„De beurs sloot flauw vandaag," zei Fred op zake-