235
leven niet gedaan had, uitgezonderd dan bij de katten, ze streek even vluchtig over Norine's wang.
„lek ben im grossen Ganzen niet oentevreden over u.
U is nog joenk, maar u heeft kwaliteiten!
Na dan gaat man weer an die arbeid, nich?"
Norine wiekte als op vleugels gedragen naar de étages, waar ze opgewekt haar rondgang begon.
„Ik heb toch een overwinning behaald en Fraulein Betty zal het niet willen gelooven als ik 't haar vertel.
En ik heb geen spijt, dat ik niet mee mocht met Sally.
Ik geloof, dat ik een heele stap verder ben gekomen.
Gek, ze heeft me zulke gemeene dingen gezegd en ik had haar kunnen ranselen en toch voel ik nu heelemaal geen wrok tegen haar.
Ik ga nog ééns zoo hard m'n best doen.
't Was een groote brutaliteit van me en een nog véél grootere om mijn betrekking direct te willen opgeven! Na also, zou Amandelchen zeggen."
Van de eene kamer naar de andere gaande, ging ze na of de kamermeisjes het werk naar behooren verricht hadden en stil-gelukkig zong ze zacht voor zich heen het vroolijke Schweizerliedje, dat haar oude kindermeisje voor haar zong, toen ze nog klein was: Liebli ist's überall, Liebli auf Erde.
Dien avond waren in de groote suite van het statige huis, dat de familie van Dannenburch bewoonde en