236
dat in een nieuw en mooi gedeelte van de stad stond, alle lichten feestelijk ontstoken.
„Moeder, hoe doe je met je Engelsch?" plaagde Fred, die dicht bij z'n moeder in een van de groote stoelen bij den haard zat.
„Durf je?”
„Ik zal wel moeten,” zuchtte z’n moeder. „Ik was al zoo blij, dat Sally Duitsch spreekt en ik heb er eigenlijk heelemaal niet bij gedacht, dat haar vader alleen maar Engelsch verstaat. Bepaald angstig. Ik heb ’t in jaren niet gesproken."
„Ik help je er wel doorheen; 't zal best gaan. Zeg moeder, van helpen gesproken: doe je je best een beetje voor ons bij vader?”
„Overhaast de dingen niet, Fred. Je vader is heel erg ingenomen met Norine, hij vindt haar zoo flink en daarbij zoo ladylike."
„En u, moeder? Wat zegt u van haar?”
„Dat weet je wel, malle jongen."
„Maar ik hoor ’t zoo graag. U weet niet, hoe blij ik ben, dat vader zoo over haar te spreken is.” „Fred?"
„Ja, moeder?”
„Ben je nu heel zeker van jezelf? Is 't niet weer een bevlieging?”
„Neen moeder, waarachtig niet. Ik begrijp zoo goed, dat u aan me twijfelt. Ik heb ’t ernaar gemaakt, net als Tijl Uilenspiegel. Maar juist die weken, waarin ik Norientje verwaarloosd heb en als een dolle met Paul in dancings heb rond gehuppeld, juist die