218
al hun vermeende bezwaren,” had hij geklaagd.
„Die staan er al niet meer zoo streng tegenover,” wist Mieke te vertellen. „Of eigenlijk, moeder had er altijd vrede mee gehad, want die is dol op Norinchen, maar je weet wel, vader's wil is wet voor haar.” „Denk je, dat vader een beetje meer meegaande is?” had Fred gevraagd.
„Na je laatste escapades met Paul heeft hij zijn veldheersplan veranderd,” had Mieke hem verzekerd. „Ik meen uit moeder's woorden te hebben moeten opmaken, dat hij nog al eens met haar keuvelt over Norinchen. Maar wees nu eens eenmaal in je leven verstandig, knaap, en overhaast de dingen niet. Zorg jij er nu maar voor, dat met Norientje alles in het reine komt.”
Maar Fred had er tegen opgezien, Norine op te bellen, hoe groot zijn verlangen naar haar ook was. Hij had in beraad gestaan Sally te schrijven, of mevrouw van der Meerlen te gaan opzoeken, maar al die plannen had hij weer verworpen en ’s avonds had hij in z’n kamer gezeten, somber en vervelend, niet wetend wat te doen.
Paul had eenige malen geprobeerd, hem weer mee te krijgen, doch Fred was ontoegankelijk voor al z'n invitaties en zelfs Paul's virtuoos klavierspel was niet in staat geweest Fred over te halen.
Het was dan ook een ware opluchting voor Fred geweest, toen Paul hem kwam vertellen, dat zijn vader hem terug geroepen had naar Weenen en bijna was Fred uit louter blijdschap bezweken, toen Paul