217
„Natuurlijk deed ik dat," had Fred toegegeven. „En hoe meer ik naar haar verlangde, hoe onzinniger ik deed. Ik had ’t land aan mezelf en aan iedereen en was te trotsch en te koppig om naar Norinchen toe te gaan."
„Gek genoeg van je. Ik ken Norine te goed, om niet te weten, dat ze je al je onzinnigheden wel zou vergeven. Bel haar maar gauw op als ze bij de van der Meerlen's is."
Maar Fred vertelde haar hoe hij het niet gekund had en toen was daarna die hopelooze avond gekomen, waarop hij Sally zoo beleedigd had en durfde hij het heelemaal niet meer aan.
En toch was juist na dien avond de inkeer gekomen. 't Was of Sally’s zoo verachtelijk uitgesproken „misselijk sujet" hem wakker had geschud en hem gehaald had uit den roes, waarin hij zichzelf had gebracht, door z'n misplaatste trots.
En zijn gevoel voor Norine, dat door alles heen, gebleven was, zooals het was, werd sterker nog, het verlangen naar haar grooter.
En weer passeerden, zooals dat nog al eens gebeurd was, in zijn gedachten al de meisjes de revue, die hij in zijn leven ontmoet had.
Was er wel één bij, die zoo zacht, zoo echt vrouwelijk en lief was als Norinchen? Was er één, die hem zoo goed begreep en die zoo van hem hield, ondanks al z'n fouten?
„Als toch maar de oudelieden niet zoo wanhopig antiek waren en heen wilden stappen over