216
Zou Mieke 't toch bij het rechte eind hebben? Hij had, toen ze de laatste dagen zooveel samen waren veel met haar over Norine gesproken en Mieke had hem verzekerd, dat alles wel weer goed zou komen, als hij zich niet zoo onmogelijk gedroeg.
„Je bent een driedubbele ezel," had ze gezegd, toen Fred haar verteld had van z'n uitgaan met Paul en de cabaret-artisten.
„Laat dien vervelenden Paul toch tjoepen! Buiten z'n muzikaliteit is er heusch niet veel goeds in hem. Hoe kom je zoo dwaas?"
En Fred, die anders niet zoo mededeelzaam was, had zich uitgesproken tegen Mieke en haar verteld, hoe ’n teleurstelling 't voor hem geweest was, dien eersten avond van Norine' s aankomst in Amsterdam, toen ze hem gezegd had, dat hij niet met haar het hotel kon binnen gaan.
Hij vond 't nu dwaas en klein van zichzelf, maar hij had toen het gevoel gehad, dat zijn Norine, zijn meisje, een minderwaardige positie bekleedde en maar „Personal" was. En hij gaf toe, dat Paul het noodige had gedaan om deze meening te versterken. De keeren waarop hij met Norine was uit geweest, had ze bijna aanhoudend over het hotel gesproken en last not least had de houding van de oudelui hem geërgerd en vond hij 't vervelend, dat hij Norine altijd bij de van der Meerlen's moest ontmoeten.
„En toen ben je op hol geslagen, dwaas!" had Mieke gezegd. „Terwijl je in je hart heel erg naar Norinchen verlangde. Waar, of niet?"