180
hem gesproken, maar al dit nieuwe, heel moeilijke overviel me zoo en met wien kon ik er beter over spreken, dan met hem? Op mijn eersten vrijen dag, toen we in het auto’tje naar Zandvoort gingen, was hij zóó landerig en toen ik hem vertelde van Madame en van m’n werk, zei hij plotseling zoo bruusk: „houd nu toch eens op met dat hotel-geklets. Daar kan i k toch geen interesse voor hebben."
En dan te denken, mevrouw, dat ik maar altijd rustig moet luisteren naar al z’n opgewonden verhalen over de nieuwste dansen, Jazz-moppen en sportnieuwtjes. „Weet u," ze hief haar ernstige oogen naar mevrouw op, „Fred in Interlaken is zoo-iets heel anders, dan Fred in Amsterdam. Hij valt me soms zoo tegen en dan begin ik te gelooven, dat ik hem allemaal deugden toegedicht heb, die hij niet
bezit. Fred is een vlot type, maar ach, ik geloof,
dat ik 't van huis uit zooveel degelijker en echter gewend ben."
Er was een lang zwijgen, waarbij mevrouw af en toe moederlijk over de fijne handjes streek, die zoo onbewegelijk in Norine’s schoot lagen.
„Spreek maar alles eens uit," zei ze hartelijk. „Het doet zoo goed, ik weet wel, hoe blij ik was toen ik in Interlaken al m'n nooden aan jou kon uitklagen en er mijn man niet in den treure mee behoefde te vervolgen."
„Ik heb in die weken zooveel nagedacht en ik ben nu wel zoover, dat ik krachtig genoeg ben, om Fred uit m’n gedachten te zetten. We passen niet bij