171
„Zulke beeldjes! en u moet Moortje zien! Zoo trotsch als een pauw! Nog al geen wonder, in zoo'n mooi mandje. Ik zeg niks! u moet ’t maar zelf zien!"
Madame lachte maar en vergat zelfs haar trouwen vazal te roepen, die achter gebleven was in de koffie-keuken, waar hij om klontjes bedelde.
Op de spitsen van haar teenen trippelde Leentje de linnenkamer in, waar een achttal naaisters en stopsters ijverig aan het werk waren om de bergen linnengoed, die het bedrijf vorderde, heel te houden en op te bergen in de groote kasten, die de vier wanden van de ruime kamer besloegen.
Het was er zonnig en warm en de frissche lucht van schoon waschgoed deed behagelijk aan.
In een hoek van de kamer stond een bruin teenen mandje, waar omheen een gordijn van gebloemde cretonne was, vastgehouden door een groote rose-zijden strik.
„De poezen-wieg!" gniffelde Leentje, vol verwachting opkijkend naar Madame's gezicht.
Dit was één en al verrassing en neerknielend bij het mandje, lichtte ze met voorzichtige vingers het gordijntje op.
„Ach, nein, wie niedlich!"
Het kleine, zwarte poezen-moedertje liet een lokkend geluidje hooren, toen ze Madame's gezicht om het gordijntje zag verschijnen.
„Moortje, mag iek dan jouw klaine schatjes zien?"
Norine's verbazing groeide met de minuut. Was dat Amanda's anders zoo scherpe stem? Deze