170
„Morgen Madame,” zei het vrouwtje, „en is dat nou de nieuwe gouvernante?"
Madame negeerde de vraag, maar het vrouwtje genadiglijk toeknikkend, zei ze:
„Morgen Leenchen.”
De door zeepsop en soda gerimpelde handen aan haar blauwe werkschort afvegend richtte Leentje zich op en zich op haar teenen verheffend fluisterde ze Madame in:
„Ze zijn zóó lief! U moet ze effies komen kijken!”
Een verheugde kreet ontsnapte Madame.
„Zijn ze gekomen? Wanneer? En hoeveel?"
„Vijf!" Het oude stemmetje bibberde in één verrukking.
„Twee grijsjes en drie zwartjes! Zulke liefies zijn het!”
Norine, die het gesprek gevolgd had, keek in verbazing naar Madame’s gelaat, dat één en al verteede-ring werd. Een wonderlijke verandering van dit zoo hooghartig, koud gelaat.
„Komt u effies mee?" vleide het oude menschje, terwijl ze haar blauwe schort afdeed, waarbij een kraakzindelijk wit schort te voorschijn kwam.
Madame met een blik op Norine, weifelde even, maar dan, de spoelkeuken uitstappend, zei ze, of ze op iets betrapt werd, dat niet in orde was:
„Na ja, we moesten toch naar de linnenkamer."
Verheugd trippelde Leentje vooruit, haar dun stemmetje zoo blij optwetterend als een leeuwerik op den eersten mooien lentedag.