165
wierp ze tersluiks een blik naar haar broer, die telkens het hoofd in de hand steunde en moedeloos voor zich uit tuurde.
De stilte om hen heen werd plotseling verbroken door een schelle, kijvende stem, die uit de hall opklonk.
„Goeie hemel!" schrok Betty op en haar broer, z'n stoel haastig verschuivend, wilde zich naar de hall begeven. Doch bij de deur stuitte hij al op Madame, die in een hemelsblauwe deux-pièces van velours, de onafscheidelijke Rags achter haar aan, met driftige stappen het bureau instoof.
„Denk eens aan, Henri! daar is me die Ochse van een Troitje bezig het tapijt naar den verkeerden kant te schtofzoigen! Daar zal men haar toch onmiedelijk oentschlaan, nicht? Wie vele malen heb iek haar dit gezegd. Zoo eene Ente, zoo ein Rindvieh, zoo eene...."
Als Madame nijdig was, vergat ze af en toe het onberispelijke Hollandsch te spreken, waar ze zich zoo op liet voorstaan.
„Bedaar toch, Amanda. Ik zal Truitje straks onder handen nemen. En schreeuw niet zoo, de gasten kunnen je hooren!"
„Meinentwege. En waar ies dan die nieuwe gouvernante? Schön! al die eerste morgen te laat te komen! Teeken haar aan voor boete, Betty!"
„Fraulein Röstel was hier op tijd," zei Betty kalm. „Ik stuurde haar naar de koerierskamer om te ontbijten."