164
Een bemoedigend knikje, een stevige handdruk en Betty van Dijk sloeg het legboek open om er de krachtige cijfers in neer te zetten, de lange rijen op te tellen, al het dagelijksch werk te doen, dat ze nu al onafgebroken twintig lange jaren deed.
Maar het werk vlotte niet als anders en de slanke hand met de vulpen bleef werkeloos op het boek rusten, Je vriendelijke, donkere oogen staarden naar buiten.
„Arm ding, ze zal het hier niet gemakkelijk hebben. Jong en mooi!" peinsde ze. „Gisterenavond was Amanda al zoo furieus. Ik denk niet dat Fraulein Röstel hier lang zal blijven."
Dan kwam haar broer het bureau binnen,
„Wat ziet hij er moe en verdrietig uit," dacht ze en hard op:
„Fraulein Röstel wacht op je, ik heb haar gezegd maar eerst te gaan ontbijten."
Hij streek zich over het hoofd en zei met pijnlijk vertrokken gezicht:
„Amanda zal haar zelf rondleiden."
Betty keek vol deernis naar het bleeke gelaat van haar broer.
„Heb je weer hoofdpijn, Henri?"
„Zooals gewoonlijk, wanneer ik slecht geslapen heb, 't Zal straks wel overgaan,"
Hij zette zich neer aan het groote bureau, dat over Betty's schrijftafel stond, begon de post in te kijken.
Betty's pen vloog over het papier, maar af en toe