162
Menschen als kleine stipjes, met druipende para-pluie's boven hun hoofd, spoedden zich naar hun werk. Trams gleden tjingelend voorbij en het was een gestaag heen en weer trekken van auto's en vrachtwagens.
„Een druk punt,” dacht ze, toen ze ontdekte, dat haar kamer aan den voorkant van het hotel was. „Daardoor heb ik den geheelen nacht het autogetoeter gehoord."
Huiverig geworden door de vochtige lucht, keerde ze zich van het raam af, verliet de kamer en spoedde zich langs de personeeltrap naar beneden tot ze in de hall kwam, waar de meisjes bezig waren met stofzuigen.
Een slanke, al grijzende dame, die met den portier had staan praten, kwam naar haar toe en haar vriendelijk de hand toestekend, zei ze:
„Ik ben juffrouw van Dijk, de zuster van den directeur."
Twee warme, donkere oogen namen Norine even op en dan zei ze langzaam:
„Wat is u nog jong, Fraulein Röstel. Feitelijk veel te jong voor deze zware taak."
Norine, die zich onmiddellijk heel vertrouwd voelde, zei lachend:
„Ik ben immers een hoteliersdochter!"
„Ach ja, dat is ook zoo, dan is men er in opgegroeid en heeft van z'n prilste jeugd af niet anders gezien. Maar u ziet er nog niet eens uit voor een en twintig jaar. Ik ben haast bang, dat het personeel zal ge-