161
„Je entert maar! Als je maar niet in mijn vaarwater komt. En nu ga ik slapen, want ik tol gewoon en morgen is het vroeg dag."
Toen Norine den volgenden morgen om zeven uur gewekt werd was het haar droef te moede. Ze had zoo heerlijk van het ouderlijk huis gedroomd en het ontwaken in de vreemde omgeving, de angst die haar bevangen had van het oogenblik af, dat ze het groote hotel binnen gekomen was, maakte, dat ze een gevoel had alsof al haar ledematen verlamd waren. Ze schoot niet op met haar toilet, terwijl ze toch juist zoo vlug klaar had willen zijn. Natuurlijk sprong het rubberknopje van haar jarretel en wist ze niet zoo gauw het doosje te vinden waarin ze het reserve-paar had opgeborgen.
O, ze had wel kunnen huilen! Wat moest ze beginnen! Ze kon toch moeilijk met een half afgezakte kous naar beneden gaan. Daar vond ze 't eindelijk. Natuurlijk lag het vlak vooraan in haar zakdoekenla.
De zekerheid, dat haar kous nu geen dartelheden kon begaan, maakte, dat ze vlug opschoot en toen ze klaar was en op het klokje keek, zag ze, dat ze nog even te vroeg was. Ze deed het licht uit, trok de gordijnen vaneen, de ramen open en snoof met welbehagen de frissche lucht op, die naar binnen stroomde. Ze boog zich uit het raam.
„Hemel! wat een ijzige hoogte!" griezelde ze.
Even bleef ze kijken naar het glimmende asphalt, dat spiegelde door den er op neerkletterenden regen.
Contrasten. n