156
Moedeloos, eigenlijk geheel gedeukt, deed ze haar kamerdeur open.
„O, hoe cosy!" was haar eerste uitroep, toen ze de tamelijk ruime kamer binnentrad, waar Sally in een zijden pyama zat te lezen, de bloemen van Fred in een ranke vaas stonden, een lampje met zachtgeel-omhuifden kap — Norine herkende het als een lampje, dat ze vaak op Sally's kamer had gezien — een gedempt licht wierp op al wat Sally aan genoege-lijkheid had aangebracht in den tijd, dat Norine beneden had gezeten.
„Hoe was de kennismaking?" vroeg Sally en ze keek haar onderzoekend aan.
Norine's eerste opwelling was om haar groote teleurstelling tegen Sally uit te spreken, maar dan bedacht ze, dat het eigenlijk flauw zou zijn om na deze eerste ontgoocheling den moed al op te geven.
,,A11 right!" antwoordde ze kort.
„Heeft Madame je aan haar boezem gedrukt?"
„Shut up! Stel je voor, dat ze me bij een eerste kennismaking zou omhelzen! Maar ze was heel geschikt."
„Waarom lieg je zoo, Norinchen? Madame Amanda van Dijk, nee Bodowsky, voorheen paard-rijdster, thans Frau Direktor, is de grootste duivelin die er op de wereld rondtolt. Ze zal heusch voor jou geen uitzondering hebben gemaakt, vooral niet, omdat je mooi en jong bent. Heeft ze de „peitsch" niet voor je laten knallen?"