147
teerden, Norinchen, dat je tot den laatsten dag bij je vader wilde blijven."
Uit het station gekomen, stapte Sally met de van der Meerlen's in hun auto, Norine zette zich bij Fred in den bekenden rooden two-seater, waarop Fred voor deze gelegenheid de kap gezet had.
„We moeten elkaar gauw rustig zien te spreken," zei Fred. „Mevrouw van der Meerlen heeft me aangeboden hun gast te zijn zoo vaak jij bij hun bent, De oudelieden zijn tamelijk halsstarrig.
Ik heb 't je niet willen schrijven, deartje, je had genoeg soesah aan je lieve bol. Mieke wil je dolgraag spreken. Geef een telefoontje als je vrij bent, dan komt ze je begroeten, 't Zal nog wel even duren, voor we de oudelui zoover hebben, dat je bij ons kunt komen, Saaie beweging, niet?"
De auto reed met snelle vaart door de drukke straten en Norine had het gevoel of ze ieder oogen-blik tegen een auto of tram zouden opbotsen. Fred's claxon gierde tegen de andere autosignalen in, Trams schoten voorbij, menschen weken haastig uit, ze reden langs een verlicht plein, dat buitenlands aandeed en Norine's hoofd was moe van alle geluiden, die ze in het lieve rustige Interlaken niet gewend was te hooren,
„Ik dacht, dat je op het bureau kwam," zei Fred en Norine voelde een geringschatting voor haar gouvernante-schap in zijn toon.
„Daar was eerst sprake van, maar de gouvernante, die er al vele jaren was, is ernstig ongesteld en nu