121
Norine keek zoo beleedigd en Fred had een snuit als een donderwolk.
En ze moest Sally niet zijn, als ze er niets op gevonden zou hebben.
„Margret dear,” vleide haar liefste stem, „I am so sorry. Ik wilde een grap hebben en schreef een kaartje met jullie beider namen en vermoffelde het kaartje van Paul. 't Stond zoo eenig, jullie namen zoo naast elkaar, net echt, dear!”
Fred vouwde dubbel.
„Kapitaal is ie!" schaterde hij.
„Net weer wat voor jou, Miss overmoed! Norinchen, lach mee kind en kijk niet zoo donker.”
Maar Norine kon niet mee lachen, want ze voelde als bij instinct, dat er meer stak achter die zoogenaamde grap van Sally.
Eenige dagen later, dagen waarin Norine en Fred, dank zij de werkelijk krachtdadige hulp van Sally, veel aan elkaar hadden en Paul verveeld rond had geloopen, omdat hij Fred niet mee kon krijgen, kwam de brief van Fred's vader en met dien veel verdriet en veel woede.
Want het was, zooals Norine's vader vermoed had, er sprak niet de minste blijdschap uit dit schrijven, noch was er iets in te lezen, dat op toestemming leek.
In korte, zakelijke bewoordingen werd gesproken over het ondoordachte en belachelijke van Fred's verbintenis, die niet erkend zou worden alvorens Fred blijk had gegeven rijp te zijn voor dezen stap.