Tine moest het drie keer overlezen, vóór het tot haar doordrong.
„En weet je wat dat zeggen wil ?” vroeg Ernst toen Tine van de eerste verbazing bekomen was. „Dat is niet meer reizen en trekken, dat is in een eigen huisje wonen.”
„O, liefste,” zei Tine. „Neen, dat is tè mooi, ik kan het niet gelooven.”
„’t Is toch zoo,” lachte Ernst.
„Wat zullen Vader en je moedertje blij zijn,” Zei Tine aangedaan. „Wat kunnen ze nu vaak bij ons komen.”
„We zullen het moeder morgen gaan vertellen en je vader krijgt het nieuws aan tafel. Kom, ik heb nu zin in een wandeling met je, ga gauw mee.” Als twee uitgelaten kinderen holden ze het huis uit, den weg op.
Ze waren zoo aan het praten en plannen maken voor het wonen in stad, dat Tine niet eens zag waar ze liep. Toen ze in een lange, dichtbegroeide laan kwamen, waar eenige aardige villa’s stonden, zei Ernst plotseling :
„Je moet eens zien, hoe aardig die villa opgeschoten is, waar we laatst naar keken.”
Ze stonden er nu voor.
„Ja, wat een fijn huis is ’t geworden,” zei Tine. „Een bizonder aardige bouw, zeg! zou ’t van binnen ook zoo mooi zijn ?”
„Laten we eens gaan kijken,” stelde Ernst voor. „Ik geloof, dat de deur open is.”
200