Frederik keek keurend Bea aan. „Nee, 'k waag het er niet op.” Hij haakte zijn stok weer van zijn arm. „Nee, je zult het wel merken, als het zoover is.”
,/t Staat natuurlijk in verband met den verjaardag van Lous volgende maand.”
Frederik bleef staan. „Hoe weet je dat?”
Bea proestte. „Gelukkig, dat je niet in de politiek bent gegaan, Frederik. Je hadt je partij met open oogen verraden en verkocht.” Ze greep zijn mouw vast. „Je geeft haar natuurlijk als tegenbeleefdheid een radio met nog grooter geluidsvolume en nog machtiger luidspreker, is 't niet?”
,/k Ga weg,” zei Frederik. Hij nam zijn hoed af. „Voor we vijf minuten verder zijn weet je alles. Dag Bea. Je zegt niets tegen Lous, wel? Geen woord hè?”
„Geen syllabe,” beloofde Bea.
„Je bent er natuurlijk vlak naast,” zei Frederik bij het weggaan. „Maar ik vind het toch veiliger, dat ik er nu van door ga. Jij bent me al te scherpzinnig.”
„Och arme, gecompliceerde ziel,” zei Bea en ze wuifde hem lachend na.
Toen ze bij Lous kwam, wenkte die afwerend: „Stil even.” Ze fluisterde, ,/k Hèb Kalunborg. 'n Wonder!” Bea ging op de divan zitten en keek den Radiogids in, die Lous met haar pinknagel bij wees: „Van 2.20 tot 4.20 middagconcert door instrumentaal ensemble,” las Bea. Ze had dus nog ruim een uur voor den boeg.
Om 4.20 stierf de laatste toon weg. Lous zuchtte. Prachtig hè ? Nu zou ik in Königswusterhausen nog een namiddagconcert kunnen pakken tot 5.20. Maar ...” ze bezon zich, „ben je Frederik nog tegengekomen?”
„Ja, zoo straks.”
„Zei hij nog wat?”
„Neen, hij leek zéér welgemoed.”
153