„Stichtelijk,” vond Bea. „Je kon wel door ellendiger dingen gewekt worden, Frederik.”
„Precies om 9.20 had ik den kerkdienst in de Universiteits-kerk van Boedapest.”
„Heb je ft kunnen volgen?” vroeg Bea.
„Stil.” zei Frederik. Hij haakte zijn stok weer over zijn arm, telde af op de vingers van zijn rechterhand:
„Om 10.50 hadden we Frankfurt. Een meneer las voor uit eigen werk. In het Duitsch natuurlijk.”
„Ja natuurlijk,” zei Bea.
„Om 11.35 hadden we Hamburg, 'n Vocaal concert door 'n onbekende juffrouw, die ik had kunnen vermoorden. En aan de koffietafel genoten we de lunch-muziek uit Hilversum.” Frederik keek sarcastisch.
„Nu, dat is toch prettig,” vond Bea.
„Natuurlijk. We gaan door. 's Middags hadden we gramo-phoonplaten uit Parijs en Praag. Aan tafel, volgens Lous, die het weten kan, de Kerk-Cantate van Bach uit Daventry, en 's avonds een opera uit Milaan.”
„Welke opera?” wilde Bea weten.
„De Freischütz, geloof ik. Kan dat ? Nu, en tot slot de dansmuziek van de Savoyband in Londen.”
„Ja, fk weet wel, dat die in Londen is,” knikte Bea blij. „Heb je nog gedanst?”
„Ja ook,” bekende Frederik verlegen. „Ja, daar kon ik niet af. Maar ...” hij keek schuin naar Bea, „ik heb 'n plan. Een plan! 'n Kolossaal mooi plan. Als je geen vrouw was, zou ik het je vertellen.”
„Prettig. Ben je bang, dat ik het van de daken zal schreeuwen ?” „Ja natuurlijk,” zei Frederik eerlijk. „Ik heb nog nooit een vrouw ontmoet, die zwijgen kon.”
„Maar je hebt ook nog nooit je best gedaan om mij te doorgronden. Ik kan zwijgen als het graf.”
152