„Maar toen we verleden jaar in Parijs waren, verstond je geen woord Fransch. D&t weet je toch ook wel/* klaagde Lous. „We hebben de grootst mogelijken onzin gegeten, omdat jij de spijskaart niet begreep. En alle taxi-chauffeurs hebben je uitgescholden/*
„Ik zou een Fransche chauffeur niet eens willen verstaan;** hoonde Frederik en hij groef in de ingewanden van zijn pasteitje. „En ik geloof, om je de waarheid te zeggen, dat ik daarmee mijn ontwikkeling absoluut niet te kort doe.**
„Nu ja,** Lous haalde haar schouders op, „jij houdt er soms van die wonderlijke ideeën op na, Frederik.** Dan ontlook haar gezicht, als de radio een duet Don José-Carmen uitspoot.
„Hè, wat is dat nu weer?** zei Frederik ontevreden. „Wat heeft die man een ellendige groc-stem.**
„Och, hoe kun je *t zeggen?** Lous schudde haar hoofd. „Herken je dit niet? Uit Carmen?**
„Nee, natuurlijk niet. En kun je dat ding nu niet eens even afzetten? Ik zou ook wel eens rustig willen eten/*
Lous keek als om hulp zoekend Bea aan. Maar die hield haar hoofd gebogen en kneedde haar brood tot balletjes.
— Maar na tafel, nog voor de visite kwam, had Lous Weenen, dat de walsen van Strauss de aether inzond. Nu was voor Frederik een wals van Strauss hetzelfde als de eerste de beste straatdeun van het orgel op den hoek. Doch Lous, haar oogen half dicht geknepen, haar hoofd achterovergeleund in den grooten stoel, neuriede vol-zalig mee. Dan zei ze:
„O Frederik, en dan te denken, dat er ook danslessen worden gegeven per radio. Nu kunnen we in de huiskamer de allernieuwste dansen leeren, lieveling/*
„Ja, dat denk je maar,** zei Frederik en hij woelde door zijn haar. Hij keek naar Bea, die in haar eentje door de kamer walste met uitgespreide armen. Ook al zoo mallotig. Hij had Bea wijzer gedacht. Dan richtte hij zich energiek op. „Nee, voor die dans
150