in jaren niet gezien, maar ze herkende hem direct. Het was de Cavallerie.
Hij zat tegenover haar en liet zijden sokken zien boven een lage bruine schoen. Toen keek hij haar aan en keek uit het raampje.
„Herken je mij niet meer?” zei ze opeens.
„Pardon?” zei hij.
Het was alsof ze iets moest wegbijten. Maar ze ging moedig door. „Thea,” zei ze.
Hij streek over zijn voorhoofd.
„Thea?” zinde hij. „Thea?”
Niet de wijde jas of de zijden sokken of de keurige schoenen, maar dit was de Cavallerie. De Cavallerie, die haar, na jaren, troefde.
„O pardon,” zei ze toen ook. „Ik vergiste me.”
Een uur lang zaten ze tegenover elkaar in de trein.
Ze las, maar ze zag dat zijn nagels keurig verzorgd waren. Hij las ook, maar ze wist, dat hij zag, dat ze oud geworden was.
Hij stapte het eerst uit. Hij lichtte even zijn hoed. Met een vinnige ruk trok Thea de coupédeur achter hem dicht.
143