Ze gingen zonder groet van mekaar. Ze viel de tuinkamer binnen.
„De Cavallerie heeft me gevraagd/' zei ze.
„Zoo'n kwajongen/' zei haar moeder,
,/k Heb natuurlijk neè gezegd." Ze keilde haar boeken op de divan.
,0, nooit!” zei ze wreed; „nooit en nooit!”
„Hij gaat een uitstekende toekomst tegemoet/' peinsde haar vader.
„Maar zijn nagels zijn onverzorgd " zei haar moeder weer.
— En daarmee eindigden plotseling de lessen in het stadje.
„Zonde/' vond Aagje dat. „Het had best wat kunnen worden tusschen jou en de Cavallerie."
De Cavallerie werd onderwijzer, haalde hoofdacte, lager Fransch, middelbaar Fransch en werd leeraar aan een H.B.S. in Brabant. Truus trouwde, maar Thea bleef thuis en werd oud.
En er kwamen dagen, waarop ze wenschte, dat ze niet die eene voorjaarsavond vertrouwd had op de fluisterstemmen, die beloofden. In het dorp kwam de Cavallerie niet meer. Zijn ouders waren gestorven en met zijn eenige broer had hij het nooit kunnen vinden.
Maar toch zou ze de Cavallerie nog eens terugzien.
Ze had gelogeerd bij Truus en reisde met de avondtrein naar het dorp terug. In Amersfoort stapte een heer bij haar in de coupé, die met veel vertoon zijn wijde jas uittrok, zijn manchetten terugschoof, zijn haar gladstreek. Ze had hem
142