moet je niet om lachen. Daar is niets om te lachen. Je moet opletten onder het spelen, anders leer je het nooit.”
Aagje, die soms binnenkwam, zond geweldige knipoogen van Thea naar de Cavallerie, en aan het eind van zoo'n avond, zei haar vader: „Er zit veel in die jongen. Die jongen heeft wat protectie noodig, dan kan hij 't ver brengen in de wereld.” Maar haar moeder zei: „Hij heeft onverzorgde nagels.”
— En weer kwam er een avond, waarop ze samen naar huis liepen. Nu was het een voorjaarsavond.
Een zachte, zoele motregen siepelde neer, er was een eigenaardige melodie in de natuur van ruischende regen op jonge bladeren. Ze waren al voorbij het tolhek, dat halfweg was, gekomen, en sloegen het slingerpaadje van jonge minnenden in, toen de Cavallerie begon:
„Zeg Thea, ik zou je graag wat willen vragen.”
Ze wist opeens, wat er komen ging.
„Vraag maar op,” zei ze weer.
De Cavallerie kuchte.
„Hoe denk je eigelijk over mij Thea?”
Het was de avond, die haar het antwoord ingaf, de avond van voorjaarsregen en belovende fluisterstemmen.
„O gewoon,” zei ze.
„Hoe gewoon?”
„Nü, gewoon!” herhaalde ze met klem.
„Bedoel je ... zou je niet een klein beetje van me kunnen houden?” smeekte de stem van de Cavallerie.
„O, nooit!” zei ze wreed. „Nooit en nooit!”
„Nu, dat hoef je niet zoo venijnig te zeggen,” zei de Cavallerie, terwijl hij zijn hoed afnam, omdat de vrouw van de burgemeester voorbijging.
„Ik was bang, dat het anders niet tot je zou doordringen,” zei ze en lachte. De bleeke oogen van de Cavallerie staken!
141