„Als je dan maar niet razend wordt, als ik je precies overbreng, wat ze zegt.”
„Geen nood,” zei de Cavallerie trotsch en keerde weg in de mist.
Aagje, die haar opendeed, riep: „Maar kind, wat zie jij eruit. Je bent heelemaal nat. 't Is ook miserabel weer,wat?” „Neen, ’t is schitterend weer,” bromde ze, haar hoedje uitslaand.
„Och, och,” zei Aagje wetend, „heb je een beetje oneenigheid met hem gehad?”
„De Cavallerie kan voor mijn part in de lucht vliegen,” toornde ze.
Maar vader in de huiskamer zei: „Thea, je bent een half uur over je tijd. Dat gezeur met die jongen van Drost moet nu maar eens uit zijn.”
Natuurlijk werd het niets tusschen Truus en de Cavallerie. Toen Thea de liefdesverklaring van de Cavallerie aan Truus overbracht, gooide die schaterend haar hoofd achterover en Zei: „Wat verbeeldt die jongen zich wel. Hoe durft hij?” En toen ze dit woordelijk de Cavallerie weer overbracht, duwde hij zijn verregende vilthoed wat naar achteren, en zei: „Zoo'n lor!”
Na deze episode bleven Thea en de Cavallerie op dezelfde voet doorgaan. Altijd stond onder de lantaarn van het armhuis de Cavallerie... en wachtte! En hij philosopheerde weer over de toekomst van de luchtvaart en over „onze antipoden”. En Thea slingerde haar boeken aan een riempje en zweeg.
Zelfs begon hij 's Zondagsavonds bij hen aan huis te komen. Dan speelde ze whist met z'n vieren. Dan zat hij tegenover Thea en was haar partner. En als ze zich vergooide, wat vaak gebeurde, en daarom ginnegapte met haar moeder, dan schudde de Cavallerie zijn geelbleeke hoofd, en zei: „Neen Thea, daar
140