„Neen, wat zou ik moeten begrijpen?” Er was toen wel de Schroom van een zeventienjarige in haar stem. Als de Cavallerie flinke, royale Engelsche sportpakken zou dragen, die hem breeder zouden maken in zijn schouders en hij droeg een hoed, die hem stond ... o, de Cavallerie zou wel op te knappen zijn, dan ...
„Heb je dan nooit wat gemerkt?”
„Neen ...”
„Nu kijk,” zei de Cavallerie, en er was werkelijk de aarzeling in zijn stem uit de teedere passages van de boeken — „kijk, ik zou graag eens willen weten ... ik wou wel... weet jij soms ook, of Truus me nog al mag?”
Truus! Truus was Thea's vriendin, een oolijk, leuk kind, dat proestte waar ze maar kon om de Cavallerie en de avondwandelingen. En toen hij het gezegd had: „weet jij soms ook of Truus me nog al mag?” was het allereerste waaraan ze dacht, dat hij toch mooie tanden had. „En groezeloogen,” zei ze tegen zichzelf. „Maar mooie tanden!” zeiden haar malle gedachten. En hardop zei ze:
„Truus geeft geen laars om jou.”
„Hoe weet je dat?”
„Nu, dat weet ik.”
„Gaat ze soms met een ander?”
„Nee .. .e . ..” aarzelde Thea, terwijl ze in een verborgen plas trapte.
„Nu en hoe weet jij dan, dat ze om mij niets geeft!” drong de Cavallerie aan.
„Dat voel ik aan alles,” zei Thea fier.
De mist tikte van de boomen. Ze liepen door, eentonig in de pas. Ze zwegen. Maar toen ze bij Thea's huis kwamen, zei de Cavallerie: „Toe, probeer nu eens gewaar te worden, hoe Truus over me denkt.”
Ze trok het tuinhekje achter zich dicht.
139