nooit begreep, te luisteren. Maar één avond, toen hij aldoor over sterrekunde had gepraat, over Jupiter met zijn satellieten, en over de groote en de kleine Beer en de Melkweg en Mars, kwam ze thuis met een bons van de buitendeur.
„Die lamme Cavalier ie/’ snauwde ze.
Toen sprak Aagje de geweldige woorden: „Ja, en als je de Cavallerie niet hadt, dan zou je naar hem snakken!” Thea trok minachtend haar mondhoeken naar beneden. Ze snoof! Die woorden — ze maakten haar woest! Zou ze ooit, ooit kunnen snakken naar de Cavallerie, naar een geelblond, sprietig ventje met een groezelkleur oogen ? En toch, diep onder de kwaadheid school de trots, dat zij uitverkoren was, dat de Cavallerie zou wakker liggen 's nachts om te denken aan haar, dat hij in zijn kamer heen en weer zou loopen en reciteeren een gedicht op haar — want, dat de Cavallerie dichtte, daar was ze zeker van.
— Het was een druilige, mistige avond, zoo'n avond van na-jaarsweedom en stille droefgeestigheid: de boomen tikten langzame druppels neer op de hoofden van Thea en de Cavallerie, en hun wangen voelden klam en hun handen. De weg was grijs en vochtig, een hondekar ratelde rakelings voorbij, en langs de spoorbaan in de verte flitste een trein. Toen zei de Cavallerie:
„Ik zou je wel graag wat willen vragen Thea!”
Ze dacht: „Nu gaat het komen. Op zoo'n ellendige avond van mist en melancholie en angstige somberheid.” Ze wist wat ze zou antwoorden. „Neen,” zou ze zeggen. Natuurlijk! En even stelde ze zich voor een tooneel uit haar boeken: een zomeravond, zoete geuren, nachtegaalslag en aan je zijde de man die je liefhadt... Ze was zeventien jaar!
„Ik zei, dat ik je wat zou willen vragen Thea!” herhaalde de Cavallerie. Er was ongeduld in zijn stem.
„Nu, vraag maar op,” zei ze.
„Je begrijpt het zeker wel, is 't niet?”
138