door
Cissy van Marxveldt
De Cavallerie
Hij was Thea’s cavalier — als je tenminste een geelbleeke jongeling van achttien jaar met strooachtig haar en onbestemde oogen een cavalier noemen kunt. Maar Aagje, de fiksche, kwieke dienstbare zei: „Daar komt de cavallerie al weer aan.”
Aagje sprak ook van bataljon voor pantalon en van crème voor crime, dat waren de kruimkes, die ze oppikte van de conversatietafel. En zoo werd het langzamerhand zijn bijnaam: dè Cavallerie!
Thea kreeg lessen in het stadje dat driekwartier loopen van het dorp lag. De Cavallerie zat vierde-klas-normaal, deed aan philosophie en astrologie en kruiste altijd haar weg, ongezocht en ongewenscht. Was ze soms een kwartier vroeger uit les,
dan schoot ze gauw langs de huizen van het stadje, en gooide
zich manmoedig in de duisternis van de lange, doodsche weg, die zigzaggend naar het dorp liep. Maar bij het armhuis onder de lantaarn stond altijd de Cavallerie ... en lachte. En hijgend zei ze dan: „Ik was bang, dat je al weg zou zijn ...” De Cavallerie leidde het gesprek, en Thea slingerde haar boeken aan een riempje. Het verveelde haar naar zijn gephilosopheer, dat ze
137