cijferen van je eigen onbelangrijke Ikje, in het goed zijn voor anderen, het helpen waar je hand te helpen vindt.
Je gaat met zoo’n tevreden gevoel slapen, als je dag niet voorbij ging zonder tenminste iets vriendelijks gedaan te hebben.
En hiervoor bestaat de gelegenheid, binnen- als buitenshuis. Het zijn heusch niet altijd de groote daden, want niet iedereen is in de gelegenheid een groote daad te doen.
Maar 't zit in de kleine, vriendelijke daden. En als je je oogen goed open houdt, dan brengt iedere dag van je leven je de gelegenheid om iets te doen waarop je met voldoening terug kunt zien.
En geloof je, dat er nog plaats in je hart is voor jalouzie als je er op uit bent om goed en vriendelijk voor anderen te zijn?
Het mooie verdringt dan het leelijke.
Vriendschap.
Als je klein bent, wat heb je dan een eigenaardig denkbeeld van vriendschap.
Ieder meisje, waarmee je uit school samen naar huis gaat, dat gezellig aan je arm bungelt, waarmee je kattekwaad uithaalt, is je vriendin.
Er is geen wijs uit te worden voor je familieleden, als je vertelt, dat je vriendin Ans je straks komt halen en je den volgenden dag vraagt of je vriendin Miep mag komen spelen.
Toch is er meestal onder die heele stoet vriendinnen één, die je onderscheidt van de rest.
't Is het meisje waarmee je vaak kibbelt, maar even gauw weer goed wordt, waarvan je alles veel gauwer kwalijk neemt, dan van een ander, waarmee je soms een heel tijdje zwijgend rondkuiert, om dan plotseling weer een gezellig gesprek te beginnen.
132