glaceetjes en mof, ik met garen handschoenen en mof loos, dan stelde ik me voor, dat ik, zij was en ik verbeeldde me, dat iedereen keek naar mijn mofje en zóó sterk was m'n fantasie, dat ik den volgenden dag op school, aan een kind, dat we op onze wandeling tegen waren gekomen, vroeg:
„Hoe von-je m'n mofje?”
Waarop het kind minachtend d'r neusje optrok en zei:
„Jouw mofje! Je had er geeneens een. Wel dat meisje, dat naast je liep.”
Ik maakte een énorme tuimeling. Ik had me toch zoo heele-maal er in gedacht, dat ik met het mofje liep en zij „maar” met de veelgesmade garen handschoentjes.
Ik heb jammerlijk gehuild, toen het mofje weg was en m'n moeder, die dacht, dat ik al die tranen vergoot om het vertrek van de nicht-speelgenoote troostte:
„In de zomer-vacantie komt ze weer terug.”
Waarop ik huil-schokte:
„Dan ... dan ... draag je toch geen mofje!”
En hiermee kreeg m’n moeder meteen een kijkje op het roetzwart innerlijk van haar dochtertje.
Ik ben nog heel wat keeren jaloersch geweest; van mooie tollen, haarlinten en cijfers op gedragboekjes. Maar betrekkelijk vroeg zag ik in, dat naijverig zijn op het bezit van anderen een heel leelijke fout is, die met kracht en macht bedwongen moet worden.
O, ft gaat niet gemakkelijk, je bent zoo licht geneigd een ander te benijden.
Maar je verrijkt je leven als je zoover komt, dat je ieder het zijne gunt.
En bedenk vooral, dat het geluk niet schuilt in een mooie ring of armband, in een dot van een jurk of een beeldig gezichtje.
Weet je, waar het echte geluk te vinden is? In het weg
131